DAKLOZEN OPGERUIMD DOOR DE GEMEENTE
dinsdag 31 januari 2012
maandag 30 januari 2012
STRUNEN EN KLUNEN
¿SPIJT VAN KWIJT¿
HET LANDSCHAP IS
EN IS NOOIT KWIJT
IK ZWERF ZONDER SPIJT
HEB WEL WAT MEER TE ZIEN
DAN VERWOEST[LIJN]ING DOOR BOER, BURGER EN OVERHEID
zondag 29 januari 2012
SCAPA
M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands
-schap achterv.
Onl. watarskap ‘waterloop, waterbron’ [709; ONW], urkuntskap ‘getuigenis’ [10e eeuw; W.Ps.], giselliskap ‘gezelschap’ [ca. 1100; Will.].
Oorspr. een vrouwelijk nomen actionis bij de wortel van → scheppen 1 ‘creëren’. Zie ook → schappelijk. De betekenis ‘schepping’ zal al vroeg vervaagd zijn tot ‘gestalte, vorm, geaardheid, toestand’, waardoor het woord geschikt werd als achtervoegsel voor abstracte en collectieve zelfstandige naamwoorden.
Os. -skepi; ohd. -scaf (naast -scaft met extra *-ti-achtervoegsel > nhd. -schaft); ofri. -skipe (nfri. -skip); oe. -scipe (ne. -ship); < pgm. *-skapi-.
Aanvankelijk waren de afleidingen op -schap overwegend vrouwelijk, bijv. → boodschap, maar al in de 13e eeuw werden sommige afleidingen ook onzijdig, bijv. meesterschap, en ontstonden de eerste nieuwe onzijdige afleidingen, bijv.landschap. In de loop van de tijd tekende zich door analogiewerking een globaal betekenisonderscheid af tussen vrouwelijke en onzijdige -schap-afleidingen: afleidingen van bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden zijn vrouwelijk en duiden een hoedanigheid aan (blijdschap, → gemeenschap, vriendschap, zwangerschap, → wetenschap,zeggenschap); afleidingen van zelfstandige naamwoorden kunnen een waardigheid uitdrukken en zijn dan onzijdig (burgemeesterschap, lidmaatschap (zie → lidmaat 2), vaderschap), of een verzameling, waarbij beide woordgeslachten voorkomen: de broederschap, de → maatschap, de vennootschap, het bondgenootschap, het → gezelschap, het landschap (oorspr. ‘gewest, verzameling land’, met latere betekenisuitbreiding).
Onl. watarskap ‘waterloop, waterbron’ [709; ONW], urkuntskap ‘getuigenis’ [10e eeuw; W.Ps.], giselliskap ‘gezelschap’ [ca. 1100; Will.].
Oorspr. een vrouwelijk nomen actionis bij de wortel van → scheppen 1 ‘creëren’. Zie ook → schappelijk. De betekenis ‘schepping’ zal al vroeg vervaagd zijn tot ‘gestalte, vorm, geaardheid, toestand’, waardoor het woord geschikt werd als achtervoegsel voor abstracte en collectieve zelfstandige naamwoorden.
Os. -skepi; ohd. -scaf (naast -scaft met extra *-ti-achtervoegsel > nhd. -schaft); ofri. -skipe (nfri. -skip); oe. -scipe (ne. -ship); < pgm. *-skapi-.
Aanvankelijk waren de afleidingen op -schap overwegend vrouwelijk, bijv. → boodschap, maar al in de 13e eeuw werden sommige afleidingen ook onzijdig, bijv. meesterschap, en ontstonden de eerste nieuwe onzijdige afleidingen, bijv.landschap. In de loop van de tijd tekende zich door analogiewerking een globaal betekenisonderscheid af tussen vrouwelijke en onzijdige -schap-afleidingen: afleidingen van bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden zijn vrouwelijk en duiden een hoedanigheid aan (blijdschap, → gemeenschap, vriendschap, zwangerschap, → wetenschap,zeggenschap); afleidingen van zelfstandige naamwoorden kunnen een waardigheid uitdrukken en zijn dan onzijdig (burgemeesterschap, lidmaatschap (zie → lidmaat 2), vaderschap), of een verzameling, waarbij beide woordgeslachten voorkomen: de broederschap, de → maatschap, de vennootschap, het bondgenootschap, het → gezelschap, het landschap (oorspr. ‘gewest, verzameling land’, met latere betekenisuitbreiding).
O VERVrAAGD LANDSCHAP
1905
ALS KIND KROPEN WE DOOR DE MEIDOORNHEG EN STONDEN IN HET WEILAND
NU IS ALLES VOLGEBOUWD, IK WIL ER NIET MEER HEEN...
WEL WIL IK ALLES VANUIT DE LUCHT ZIEN. GOOGLE EARTH IS PRACHTIG HULPMIDDEL.
ONDERZOEK ALLES EN TRAP NIET OVERAL
SOMS DOOL IK DOOR HET LANDSCHAP VAN 1885
OP STAP EN TRAP
DOOR OP DE FIETS EN
SPEUREN EN NAGAAN VAN VERVAAGDE CONTOUREN
OUDE LANDSCHAPSELEMENTEN EN
DAN TEGENWOORDIG DE ZEGENINGEN VAN SATELLIETBEELDEN DAARNA....
IK HOU M'N HOOFD EN BLIK BIJ ANNO 2012 EV
CV
Abonneren op:
Reacties (Atom)





